Rust

Ik woel en ik draai. En weer word ik onrustig wakker.
Angstige dromen zweven weg als mijn ogen wennen aan het ochtendlicht.
Het is angstvallig stil om mij heen. Waar komt die onrust vandaan?
Zijn het de verdrietige, moeilijke of vervelende dingen die in mijn leven gebeuren? Juist omdat ze zo ongrijpbaar zijn en buiten mijn macht liggen?
Natuurlijk heb ik hele lieve vrienden en familie om mij heen, grote steun en toeverlaat, maar toch vind ik de rust niet die ik blijkbaar zoek.
Als ik een blik op mijn leventje werp, word het opeens duidelijk.
Naast dat er bepaalde aspecten in mijn leven duidelijk beter kunnen zoals werk ben ik eigenlijk best tevreden en gelukkig.
Maar ik mis in deze tijd iemand die mij in zijn armen neemt en zegt; "Lieffurd het komt goed en anders sta ik naast je, desnoods draag ik je. " Waar ik 's nachts tegen aan kan kruipen, in zijn armen kan verdwijnen en weten dat de grote boze wereld mij niks kan maken.
Ik ben hierin misschien goedgelovig en naïef, maar er moet toch iemand zijn om het leven mee te delen. 
Er zijn natuurlijk genoeg koele kikkers en charmante prinsen die met mij in een paleisje willen wonen.
Maar ik heb een koene ridder nodig die mij van mijn voeten blaast en die mij achter op zijn zwarte paard (lees: motor) zet en met mij ten strijden trekt en over geurige weide de zonsondergang te gemoet gaat. Beide wetend dat wanneer we elkaar hebben alles goed komt.
Ik haal diep adem, duw de eenzaamheid weg, plak mijn hartje provisorisch weer in elkaar en draai mij om.
Met mijn dekbed strak om mij heen getrokken, zweef ik weg in dromen die hopelijk ooit uit komen.

 

 

Daar sta ik dan

Daar sta ik dan: aan de rand van de afgrond.
Ik voel mijn handen klam worden, mijn hart bonzen, mijn mond word droog en moeizaam probeer ik te slikken.
Het lukt niet, het lijkt alsof er een prop in mijn keel zit.
Het is onvermijdelijk; ik weet ik kan niet meer terug, maar het is nog maar een paar stappen naar de afgrond.
Ik voel de druk in mijn rug, ik moet blijven lopen.
Ik zet stap voor stap, mijn ene voet voor de andere.
De tijd lijkt stil te staan, maar gaat tegelijkertijd vliegsvlug.
En dan opeens, eerder dan ik verwacht word ik de afgrond in geduwd.
Ik voel de wind langs mijn lichaam razen, de haren wapperen in mijn gezicht als ik door de lucht val.
Het lijkt alsof ik in een achtbaan zit; ik rol en tuimel door de lucht. Ik verlies het zicht om me heen, het enige wat ik kan doen is mijn ogen dicht doen en mij overgeven in deze val de afgrond in.
Maar dan op het moment dat ik het los laat, de vrede in mezelf vind, accepteer dat mijn lot zo heeft moeten zijn en de grond voel naderen.
Voel ik een ruk, ik minder vaart, ik kijk omhoog naar de hemel. Tegen het licht van de zon zie ik een doek aan de hemel; een parachute die mij in de lucht houdt.
Langzaam dwarrel ik naar beneden richting een berg.
Hij ziet er mooi en tegerlijke tijd beangstigend uit, maar ik ben blij dat dit blijkbaar mijn bestemming is.
Zachtjes beland ik in het gras boven op deze adembenemende berg. Ik maak mij los van de parachute en ga zitten in het hoge gras.
Langzaam voel ik mijn hartslag afnemen, kan ik weer ademen en de geluiden om me heen dringen tot me door.
Ik hoor de vogels fluiten, ik ruik de bloemen in het gras en in de verte hoor ik water stromen.
Hier op deze berg kan ik alleen maar afwachten wat er gaat komen; misschien is het alleen een tussenstop in deze val naar beneden en misschien vind ik een weg naar boven.
Maar gek genoeg geeft deze onbekende plek rust en besluit ik te genieten van de zachte bries door mijn haren, de zon op mijn huid en laat ik mij achterover in het hoge gras vallen.
Heerlijk met mijn handen door het hoge gras en starend naar de hemel. Geen gedachtes meer, alleen maar genieten van het moment.